ⲭⲱ ⲭⲁ-/ⲭⲁ= ⲭⲏ

NB

Vertaling

  • plaatsen, benoemen, neerzetten, maken
  • met datief, hebben, krijgen, behouden
  • behouden
  • toestaan, vrijlaten
  • qual: los, slap, ongeremd, toegestaan zijn
  • als imperatief, toegeven, toegeven, veronderstellen
  • nalaten
  • opgeven, opgeven, falen
  • weglaten, weglaten
  • qual + prep of bijwoord, zijn, bestaan, liegen
  • in latere SF-letters ga naar, bereik, verlicht enter, qual be in
  • auxil (oorzakelijk) gebruik
Griekse equivalenten
τιθεναι, τασσειν, ισταναιανιεναι, αφιεναιαφιεναι, απωθεινκεισθαι

Dialectvormen

Sⲕⲱ ⲕⲁ-/ⲕⲁⲁ=
Lⲕⲱ ⲕⲁ-/ⲕⲁⲁ= ⲕⲁⲁⲧ
Fⲕⲱ ⲕⲁ-/ⲕⲉⲉ=
Aⲕⲟⲩ ⲕⲁ-/ⲕⲁⲁ= ⲕⲉⲓ
Slⲕⲱ ⲕⲟ=