ⲥⲟⲡ

NB

Vertaling

  • zelfstandig naamwoord
  • – gelegenheid, tijd (ondeugden), beurt
  • ⲥⲟⲡ ... ⲥⲟⲡ, nu ... opnieuw
  • – draaien, gebedsronde of lezen
  • bijwoordelijk
  • met cijfers

Dialectvormen

Sⲥⲟⲡ, ⲥⲟⲟⲡ ⲥⲡ-
Saⲥⲁⲡ
Sfⲥⲁⲡ
Aⲥⲁⲡ
Lⲥⲁⲡ
Fⲥⲁⲡ