ϭⲱⲓⲥ, ⳪
NB
Vertaling
- heer
- – titel van God
- – van de mens, meester, eigenaar
- – van heilige
Griekse equivalenten
κυριοσοικοδεσποτησ
Dialectvormen
Sϫⲟ(ⲉ)ⲓⲥ
Sfϫⲟ(ⲉ)ⲓⲥ
Aϫⲥ
Fϫⲥ
Lϫⲁⲉⲓⲥ
Slϫⲉⲥ
Bekijk grammaticaonderdelen waarin dit lemma expliciet voorkomt of wordt toegelicht.